
Van veulen tot manegepaard
Heb je weleens een veulentje van dichtbij gezien? Dan is het je vast wel opgevallen dat die enorm lange benen heeft. Dat komt omdat paarden hun jongen niet verstoppen zoals bijvoorbeeld koeien en herten doen. Veulens blijven voortdurend bij hun moeder. Een pasgeboren veulen staat binnen een uur al op zijn wiebelige beentjes.
Tekst: Paula van de Geest | foto's: Istock
Instinct
Omdat paarden in de natuur prooidieren zijn, is het heel belangrijk dat een veulen niet hulpeloos is na zijn geboorte. Zelfstandigheid is letterlijk van levensbelang. Hun eerste taak in het leven is opstaan en de uier van moeder vinden. En diezelfde dag al rennen veulens rondjes door de wei. Ze leren razendsnel wat het betekent om een paard te zijn. Heel anders dus dan bij mensenbaby’s. Het veulen hoeft echter niet te leren hoe het moet opstaan, lopen of drinken. Veulens worden geboren met dit natuurlijke ‘instinct’, waardoor ze als het ware meteen al ‘weten’ wat ze moeten doen. Onze baby’s hebben een heel ander instinct: zo weten baby’s dat ze moeten huilen als ze honger hebben en hoe ze moeten drinken bij hun moeder. Maar lopen doen wij pas veel later, als we ongeveer een jaar zijn. Een groot verschil dus! Maar hoe leert een veulen eigenlijk? En hoe kun je daarmee omgaan op de manege?
Gewenning
Veulens leren heel veel van hun moeder. Als er bijvoorbeeld ineens een onbekend geluid klinkt, waarvan het veulen schrikt, zal het de veiligheid van de moeder opzoeken. Als de moeder rustig door graast, leert het veulen dat dit geluid geen gevaar is. Dit noemt men met een moeilijk woord ‘habituatie’ oftewel ‘gewenning’. Veulens wennen aan de dingen die ze horen, zien en ruiken en waar hun moeder geen reactie op geeft. Zo leren ze dat ze niet hoeven te reageren op dingen als een vogeltje dat wegvliegt of het geluid van de wind door de boomtakken, omdat deze situaties geen gevaar vormen.
Conditionering
Veulens leren ook veel door dingen uit te proberen. Ze herhalen bepaalde gedragingen als ze merken dat dat een positief effect heeft en ze zullen gedrag dat negatief uitpakt achterwege laten. Denk bijvoorbeeld aan een veulen dat iets te wild bovenop zijn moeder springt, die rustig staat te grazen. Zijn moeder legt haar oren plat en hapt hem in zijn voorbeen: ‘Wegwezen!’. Het veulen vindt dat niet fijn en zal het niet snel nog een keer doen. Als hij echter tegen een ander veulen op springt die dat leuk vindt en met hem wil spelen, dan zal hij dat wel vaker willen herhalen. Deze manier van leren noemen we ‘conditionering’: leren door ervaring.
Leren van de kudde
Niet alleen van hun moeder leren veulens nieuwe dingen, ook de rest van de kudde speelt een belangrijke rol. Het veulen zal mede van andere paarden leren hoe paarden met elkaar communiceren en hoe ze zich in de kudde horen te gedragen. Met leeftijdsgenootjes spelen is een belangrijk onderdeel van de opvoeding. Het is niet alleen leuk, maar ook nuttig voor de balans en coördinatie. Daarnaast gaat spelen over grenzen opzoeken en beschermen. Vooral hengsten zijn erg speels. Stoeien leert hen hoe ze later tegen een andere hengst om een kudde merries moeten strijden. Veulens worden door spel mentaal en fysiek sterker.
Zenuwstelsel
Het zenuwstelsel speelt een belangrijke rol in het lichaam. Dit systeem zorgt er bijvoorbeeld voor dat een paard kan vluchten bij gevaar. Een zenuwstelsel dat in balans is, zorgt voor rust op de momenten dat er niks aan de hand is en gaat tijdelijk in standje ‘gevaar’ als paarden (mogelijk) moeten vluchten. Een veulen dat van zijn moeder en de kudde leert wat wel en niet gevaarlijk is en die zich veilig genoeg voelt om regelmatig rust te nemen, heeft een zenuwstelsel dat in balans is. Het jonge dier ervaart stress als er daadwerkelijk iets aan de hand is, maar is verder ontspannen, zodat zijn lichaam en geest voldoende tot rust komen. Dit worden later paarden die mentaal stabiel en flexibel zijn.
Hengsten en merries
Veulens grazen al na een paar weken wat gras en ander groen. Dit wordt langzamerhand hun voornaamste bron van voeding, maar daarnaast blijven ze ook bij hun moeder drinken. Na ongeveer een jaar worden veulens in het wild ‘gespeend’, ze stoppen met drinken bij hun moeders. Meestal is dit omdat er intussen een broertje of zusje is geboren. Merrieveulens blijven langere tijd bij hun moeder in de kudde, terwijl hengstveulens na anderhalf tot drie jaar de kudde verlaten om samen met andere hengsten een vrijgezellengroep te vormen. Uiteindelijk gaan zij op zoek naar merriekuddes waarbij ze aansluiten om zich voort te planten.
Gehouden paarden
In het wild gaat het er anders aan toe dan bij paarden die door ons mensen gehouden worden. Veulens worden vaak al tussen de drie en zes maanden gespeend. In veel gevallen worden ze vrij snel helemaal bij hun moeder weggehaald. Het is gebruikelijk dat jonge paarden de eerste jaren van hun leven, vaak tot ongeveer drie jaar oud, doorbrengen in de ‘opfok’. Dit is meestal een groep jonge paarden die samen verder opgroeit, totdat ze klaar zijn om door de mens getraind en bereden te worden.
Stabiele basis
Om later een stabiel rijpaard te worden is het eigenlijk het mooist als een veulen niet te vroeg wordt gespeend en als hij wat jaren kan doorbrengen in een groep paarden van verschillende leeftijden. Hij kan leren van de oudere dieren en zijn zenuwstelsel zal behoorlijk in balans zijn, omdat hij een stabiele basis heeft. Dat helpt later tijdens de training. Paarden kunnen natuurlijk altijd een keer schrikken, maar een paard met een stabiele basis kan spanning heel makkelijk ook weer laten afvloeien. Net als in de natuur. Paarden die deze basis als veulen gemist hebben, kunnen spanning vaak veel moeilijker loslaten en in hun latere leven ‘ongewenst gedrag’ gaan vertonen. Ook vinden ze het moeilijker om even alleen te zijn, bijvoorbeeld om opgezadeld te worden.
Zadelmak
Op de manege zul je vooral te maken krijgen met jonge paarden die al ‘zadelmak’ zijn oftewel ze hebben al geleerd om een zadel, hoofdstel en een ruiter te dragen en daarmee rond te lopen. Toch hebben deze jonge paarden nog een hoop om te leren en moeten ze wennen aan het leven als manegepaard. Als je op zo’n paard mag rijden, is het belangrijk om hiermee rekening te houden. Ze kunnen sneller schrikken van iets, kunnen zich minder lang concentreren, hebben nog geen goede balans met een ruiter op hun rug en moeten veel hulpen nog leren.
Leren van de mens
De manieren waarop een veulen van zijn moeder en de kudde leert, kun je gebruiken als je zelf met een jong paard bezig bent. Het paard kan van jou ook leren of iets wel of niet gevaarlijk is. Als je bijvoorbeeld langs iemand met een paraplu loopt, kan een jong paard daarvan in eerste instantie schrikken. Als jij rustig blijft lopen en doorademt, zal het paard merken dat jij niet bang bent. Als jullie vervolgens langs de paraplu lopen en er gebeurt inderdaad niks, dan leert het paard: ‘Paraplu’s vallen me niet aan, die zijn veilig’. Een volgende keer dat hij er een ziet, zal hij het waarschijnlijk al minder spannend vinden.
Nieuwe dingen
Als je gewend bent om op ervaren manegepaarden te rijden, dan kan het zijn dat je veel dingen die je paard doet heel normaal vindt. Als je weleens op een jong paard hebt gereden, dan heb je misschien ontdekt dat veel van die alledaagse dingen voor dat jonge paard helemaal niet zo normaal zijn. Ze kunnen bijvoorbeeld schrikken van de gekste dingen, zoals een opvliegende eend, een jas die over de bakrand ligt of van het geluid van jouw rits die je dichttrekt, terwijl je al in het zadel zit. Als je met een jong paard traint, is het dus belangrijk om niets voor lief te nemen. Kijk goed om je heen, bedenk welke dingen je paard aan het schrikken kunnen maken en probeer tegelijkertijd zelf zoveel mogelijk rust en veiligheid uit te stralen.
Wennen aan spannende dingen
Je kunt jonge paarden ook actief helpen om te wennen aan nieuwe dingen en spanning makkelijker los te laten. Misschien heb je weleens van schriktraining gehoord? Hierbij worden allerlei dingen in de bak gezet, zoals bijvoorbeeld een vlag, een zeil en een gordijn met slierten. De paarden moeten hier vervolgens voorbij, overheen en onderdoor. Door dit stapje voor stapje op te bouwen, het paard rustig de verschillende objecten te laten onderzoeken en zelf ook rustig te blijven, leert het paard dat deze spullen niet gevaarlijk zijn. Sommige paarden ervaren te veel spanning als de bak vol ligt met nieuwe dingen. Dan kan je de spullen beter om de beurt aanbieden in plaats van allemaal tegelijk. Een paard dat teveel spanning heeft leert namelijk niks en wil alleen maar vluchten. Hersenwerk, waarbij het paard op verschillende materialen naar brokjes speurt, kan ook bijdragen aan de weerbaarheid van (jonge) paarden.
Snel afgeleid
Jonge paarden kun je een beetje vergelijken met jonge kinderen. Ze hebben vaak een korte spanningsboog en zijn snel afgeleid. Het hoofd van een jong paard zit veel eerder ‘vol’ dan dat van een ouder paard. Veel dingen zijn nog nieuw en de hersenen zijn nog niet volledig ontwikkeld. Een uur rijles is voor een doorgewinterd manegepaard geen probleem, maar voor een jong paard kan het erg lang zijn. Je kunt dat merken doordat het paard de tweede helft van de les sneller afgeleid is, wat meer weerstand biedt of sneller schrikt. Het kan helpen om hem wat vaker een pauze te geven. Ook kan het, in overleg met de instructeur, een goed idee zijn om wat eerder met de les te stoppen, zodat het jonge paard kan bijkomen en de nieuwe dingen, die hij geleerd heeft, kan verwerken.
We kunnen veel leren van de natuur. De lessen die jonge paarden van hun moeders leren, kunnen we echter nooit helemaal nabootsen. Daarom is het belangrijk dat veulens een goede, veilige basis meekrijgen van hun moeders. We kunnen wel gebruikmaken van de manier waarop veulens in de natuur leren. Zo kunnen we jonge paarden leren dat nieuwe dingen niet gevaarlijk zijn en hun opleiding tot rijpaard in kleine, behapbare stapjes opdelen. Door zelf rust en veiligheid uit te stralen, kan het paard ook ontspannen. Als je begrijpt dat een jong paard net iets anders nodig heeft dan een ervaren paard dan kun je daarmee rekening houden, zodat jij én het jonge paard een fijne ervaring hebben.




